Voor ons is het antwoord op de vraag ‘Wat nu?!’ afhankelijk van hoe deze boosheid eruitziet. Of eigenlijk: wat de bron is. We leggen het je graag uit:
Voorbeeld 1: Boosheid uit onmacht
“Het is donderdagmiddag, je bent je werkdag aan het afronden en de vader van Joris staat in je lokaal. Hij loopt naar je toe en zegt: ‘Het is belachelijk hoe jullie hier met kinderen omgaan! Het was gewoon een ruzietje zoals dat gaat tussen jongens van die leeftijd. En nu moet hij nablijven?! Belachelijk! Jullie hebben gewoon de pik op hem, dat was vorig schooljaar ook zo!’”
Hij verheft zijn stem en maakt grote gebaren met zijn armen. Je schrikt van de heftigheid van zijn reactie en voelt je overvallen door de situatie.
Je kunt je hier vast iets bij voorstellen – een ouder die het oneens is met een beslissing van school en zijn onvrede op heftige wijze uit. De boosheid in dit voorbeeld komt voort uit onmacht.
Dat zie je terug in de woorden: “jullie”, “de school”, en verwijzingen naar oud zeer. Ook non-verbaal spreekt het boekdelen: stemverheffing en grote gebaren.
Wat werkt níet?
- Uitleggen of verdedigen: “Nou, er was meer aan de hand…”
- Direct begrenzen: “Als u zo tegen mij praat, dan stop ik dit gesprek.”
Deze reacties kunnen de situatie juist verder laten escaleren.
Wat werkt wél?
Effectief reageren op gedrag vanuit onmacht doe je door te kalmeren. Dit kun je op twee manieren doen:
- Herhalen: “De pik op hem?” (stilte laten vallen)
- Bevestigende vragen: “U vindt het oneerlijk?”, “U heeft het gevoel dat we de pik op Joris hebben?”
Dit zorgt ervoor dat de ouder zich gehoord voelt, wat kalmeert en ruimte geeft voor een goed gesprek. Vanuit rust kun je pas echt iets bereiken.
Voorbeeld 2: Boosheid uit macht
“Het is donderdagmiddag, je bent je werkdag aan het afronden en de vader van Joris staat in je lokaal. Hij loopt naar je toe en zegt: ‘Luister juffie. Jij hebt bedacht dat mijn zoon gaat nablijven, maar daar maak je echt een grote denkfout. Als jij deze straf niet snel ongedaan maakt, dan loop ik naar de directeur en zal ik eens een boekje opendoen over jou.’”
Hij kijkt je indringend aan en wijst met zijn vinger.
In dit voorbeeld is er geen sprake van emotie of onmacht, maar van macht. Dat blijkt uit:
- Woordgebruik: “jij”, “als… dan…”
- Toekomstgericht en dwingend
- Persoonlijke aanval en bedreiging
- Beheerst volume en gericht oogcontact
Wat werkt hier?
Dit gedrag vraagt om een duidelijke grens. Benoem wat je ziet en stel de grens:
“U noemt mij juffie en vertelt mij wat ik moet doen. Ik ben daar niet van gediend. Ik wil dat u mij bij mijn naam noemt en stopt met vertellen hoe ik mijn werk moet doen.”
Past de ouder daarna zijn gedrag aan? Dan kun je verder in gesprek over de inhoud. Niet eerder.